Then, I was inspired

Lees meer

Gisteravond was ik in het Zwolse Dominicanenklooster om te luisteren naar zeven mensen die in zeven minuten iets deelden over ongeneeslijke religiositeit. Met bijdragen van theologische hotshots als Erik Borgman en Stefan Paas, afgewisseld met de zielstrelende klanken van de liedjes van Iris Penning. Een interessante avond, waar het voor mij bij het biertje achteraf pas écht leuk werd. Toen kon ik mijn gesprekspartners aan de tand voelen over waarom zij eigenlijk zo enthousiast zijn over religieus zijn. Ik ben dat enthousiasme enigszins verloren, geconfronteerd met de verhardende en verdelende kracht van religie. Ik heb betere dagen gekend als het ging om mijn geloof in het geloof. Om met de woorden van Jesus Christ Superstar te spreken: Then I was inspired, now I’m sad and tired.

Ik trof mijzelf aan in een zelfde confronterende mineur toen mijn invalklus ten einde liep en ik mijn laatste lessen godsdienst verzorgde. Zo’n laatste les grijp ik dan aan om nog een aantal door mij geliefde principes onder de aandacht te brengen. Aan de hand van mijn eigen ervaring in het creëren van een buurtontmoetingsplek, moedigde ik de leerlingen aan om vooral veel mensen te blijven ontmoeten die anders zijn dan zij. Maar het vuur waarmee ik voorheen vertelde over onze avonturen in Utrecht Overvecht, was bijna geheel verdwenen. Het is dan ook al lang geleden, suste ik mijzelf al reflecterend, dus je kunt dat jezelf niet verwijten. Maar het deed me wel beseffen dat ik op dit moment niet een dergelijk ‘goed verhaal’ heb, zo’n verhaal dat je gegarandeerd in vuur en vlam zet op het moment dat je het met een ander deelt. En hopelijk die ander daarmee ook een beetje verwarmt.

Then I was inspired, now I’m sad and tired. Ik slenterde vanmorgen naar de supermarkt nadat ik mijn kinderen naar school had gebracht. Met wasmiddel en aardbeien in mijn tas liep ik weer terug naar huis door de optrekkende mist. Toen zag ik een leeg blikje energy-drink in de goot liggen. Ik liep er bijna langs, met een door moedeloosheid geladen ‘laat maar’, en besloot ‘m toen toch op te pakken en de dichtstbijzijnde prullenbak te zoeken.

Het ondanks de mineur niet toegeven aan het ‘laat maar, alles gaat toch naar de kloten’, maakte deze daad tot een geloofsbelijdenis. Het tilde me boven de treurnis uit, gaf me nieuwe energie en – hoe snel kan zoiets omslaan – inspireerde zelfs een beetje.

Als religieus zijn betekent dat het de kracht heeft ons allemaal te bevrijden van het ‘laat maar’, dan wens ik iedereen de ziekte toe.

Mijn lofzang en kritiek op Marie Kondo

Lees meer

Deze blog schreef ik in opdracht van Lazarus

(…)

Maar wat gaat er een diepe bewogenheid uit van haar methode en aanpak. Met compassie beziet ze mensen zoals ik die dagelijks strijd voeren met de materie die hen omringt. Met een omgeving die een onstopbare drang richting chaos lijkt te hebben. Paper tigers die me bespringen, stof dat blijft neerdalen, vuil dat blijft plakken, spullen die zich blijven ophopen.

Haar filosofie is eenvoudig en haalbaar. Pak elk item in je huis in handen en stel deze ene vraag: does it spark joy? Word ik hier echt blij van? Is het antwoord nee, bedank het item en doe het weg. Is het antwoord ja, dan kun je het opbergen volgens voorgeschreven methode. Voor beide antwoorden geldt: het is een diep intuïtief antwoord. Je kunt het voelen in al je vezels.

Hier wil ik een kritische noot bij plaatsen: de discipline die Kondo voorschrijft is hyper-individualistisch. Het is namelijk maar de vraag of onze intuïtie zuiver genoeg is om onrechtvaardigheid in een item aan te voelen. Heeft het effect op je joy wanneer een kledingstuk onder erbarmelijke omstandigheden is gemaakt? Kondo vertelt niet het hele verhaal van de spullen. Ze houdt het huiselijk, veilig, klein en oplosbaar. Wat moeten we met de meer gloomy spirituele werkelijkheid van ‘het spullenweb’ waar we op grotere schaal in gevangen zitten? Kunnen we die op individuele basis ons leven uit feng-shui’en?


Lees het hele verhaal hier!

De Nashville Dissonant

Lees meer

Voorheen als ik de naam Nashville hoorde, dacht ik aan muziek. Het is de bakermat van de gospelmuziek die de goedkeuring van mijn ouders kon wegdragen. Nu wordt die nostalgische associatie verweven met mijn gedachten over de onlangs verschenen Nashville Verklaring. Die klinkt voor velen niet als muziek in de oren, integendeel. Het klinkt als een afgrijselijke dissonant waarbij als in een reflex de handen op de oren worden gedrukt. Dit willen we niet horen. Voor een ander, zoals de ondertekenaars, klinkt de verklaring wellicht als de melodie die ze kwijt waren. Oh ja, zó ging ‘ie.

Als je puur op de hashtag afgaat, lijkt het overgrote gedeelte van de mensen zijn of haar afschuw over de verklaring uit te spreken en er afstand van te doen. Een tijdje #nashvilleverklaring scrollen en om met de woorden van de grote filosoof R. Geus te spreken; man, man, man.

Ik vind de reacties op de verklaring heftig. En ik denk het een beetje te snappen, de schok. Want als je het idee hebt in goede harmonie met elkaar een bepaald pad in te zijn geslagen (ik heb menig foto van kerk met regenboogvlag voorbij zien komen), dan valt het tegen als een deel van het koor die harmonie verstoort. Als de aanstichters van de dissonant überhaupt nog worden gezien als deel van het koor. Misschien zijn het wel verraders, dissidenten, veroorzaken ze een helse pijn met hun oordeel. Vertegenwoordigen ze iets wat niet van mij is: #nietmijngeloof #nietmijnjezus.

Dissonant of dissident? Horen we nog bij elkaar en moeten we samen opnieuw zoeken, of wordt hier verraad gepleegd en volgt een bewuste afstand, een afscheid wellicht?

Bij beide opties past verdriet, meer dan minachting. “Er mag ruimte zijn voor rouw. Daarna moeten we weer met elkaar verder.” schreef een ex-voorganger van een evangelische kerk.

Want het valt niet mee, en ideaal zal het nooit worden. Waarom doen we dan zo makkelijk afstand van elkaar? Zit daar niet de veronderstelling onder dat er een sociaal utopia te bereiken is, waar iedereen het met elkaar eens is en niemand elkaar meer bevraagt op zijn of haar opvattingen?

Zolang we willen meezingen in het koor, zijn we denk ik veroordeeld tot dissonantie. En afhankelijk van de manier waarop we dat ondergaan en erop reageren, kán het ook prachtig zijn. Als er een bevochten en hartelijke harmonie kan ontstaan, niet geforceerd of slechts bereikt door afwijkende geluiden te elimineren.

Een paar maanden geleden was ik bij een korenconcert die in het teken stond van componist Morten Lauridsen. De man die beroemd is vanwege zijn ascetic choral sound, his floating dissonance frictions and the peace which his compositions reflect (bron).

Zouden we ons zoeken en wrijven en schuren en de verkeerde toon aanslaan tot een kunstvorm kunnen verheffen? Dat er iets moois voortkomt uit onze worsteling de waarheid te zoeken, naar elkaar te luisteren, andermans ideeën een kans te geven, en boven alles de liefde na te streven?

Ik hoop het. Ik verlang het. Ik bid het samen met de klanken van light eternal: