Voorheen als ik de naam Nashville hoorde, dacht ik aan muziek. Het is de bakermat van de gospelmuziek die de goedkeuring van mijn ouders kon wegdragen. Nu wordt die nostalgische associatie verweven met mijn gedachten over de onlangs verschenen Nashville Verklaring. Die klinkt voor velen niet als muziek in de oren, integendeel. Het klinkt als een afgrijselijke dissonant waarbij als in een reflex de handen op de oren worden gedrukt. Dit willen we niet horen. Voor een ander, zoals de ondertekenaars, klinkt de verklaring wellicht als de melodie die ze kwijt waren. Oh ja, zó ging ‘ie.

Als je puur op de hashtag afgaat, lijkt het overgrote gedeelte van de mensen zijn of haar afschuw over de verklaring uit te spreken en er afstand van te doen. Een tijdje #nashvilleverklaring scrollen en om met de woorden van de grote filosoof R. Geus te spreken; man, man, man.

Ik vind de reacties op de verklaring heftig. En ik denk het een beetje te snappen, de schok. Want als je het idee hebt in goede harmonie met elkaar een bepaald pad in te zijn geslagen (ik heb menig foto van kerk met regenboogvlag voorbij zien komen), dan valt het tegen als een deel van het koor die harmonie verstoort. Als de aanstichters van de dissonant überhaupt nog worden gezien als deel van het koor. Misschien zijn het wel verraders, dissidenten, veroorzaken ze een helse pijn met hun oordeel. Vertegenwoordigen ze iets wat niet van mij is: #nietmijngeloof #nietmijnjezus.

Dissonant of dissident? Horen we nog bij elkaar en moeten we samen opnieuw zoeken, of wordt hier verraad gepleegd en volgt een bewuste afstand, een afscheid wellicht?

Bij beide opties past verdriet, meer dan minachting. “Er mag ruimte zijn voor rouw. Daarna moeten we weer met elkaar verder.” schreef een ex-voorganger van een evangelische kerk.

Want het valt niet mee, en ideaal zal het nooit worden. Waarom doen we dan zo makkelijk afstand van elkaar? Zit daar niet de veronderstelling onder dat er een sociaal utopia te bereiken is, waar iedereen het met elkaar eens is en niemand elkaar meer bevraagt op zijn of haar opvattingen?

Zolang we willen meezingen in het koor, zijn we denk ik veroordeeld tot dissonantie. En afhankelijk van de manier waarop we dat ondergaan en erop reageren, kán het ook prachtig zijn. Als er een bevochten en hartelijke harmonie kan ontstaan, niet geforceerd of slechts bereikt door afwijkende geluiden te elimineren.

Een paar maanden geleden was ik bij een korenconcert die in het teken stond van componist Morten Lauridsen. De man die beroemd is vanwege zijn ascetic choral sound, his floating dissonance frictions and the peace which his compositions reflect (bron).

Zouden we ons zoeken en wrijven en schuren en de verkeerde toon aanslaan tot een kunstvorm kunnen verheffen? Dat er iets moois voortkomt uit onze worsteling de waarheid te zoeken, naar elkaar te luisteren, andermans ideeën een kans te geven, en boven alles de liefde na te streven?

Ik hoop het. Ik verlang het. Ik bid het samen met de klanken van light eternal: