Het geboortehuis van beppe

Lees meer

Het is één van die mistige dagen in het begin van december. Op de snelweg naar het noorden reikt het zicht niet verder dan een tankstation, een eerste bomenrij, een enkel huisje dicht op de weg. Het is lang geleden dat ik mijn beppe bezocht. Ik heb er lang naar uitgekeken.

Bij het verzorgingstehuis aangekomen parkeer ik op het laatste plekje. Na desinfecteren, registreren en mondkap fatsoeneren, ga ik op zoek naar kamer 2.61. Ik kan de weg nog blind vinden, mijn hakken klinken hard op de gang. Voor ik kan aanbellen zwaait de deur al open. ‘Ik hoorde je al aankomen leave, de famkes hier klinken niet zo hard’, zegt ze in het Fries. Naar binnen, de warme kamer in. Geen dikke kus, geen stevige knuffel. Wel twee paar blije ogen, overhandiging van bloemen, knutselwerkjes en de kraan meteen open voor de pot koffie. Even zoeken naar de beste plek om op afstand met elkaar te kunnen praten. Ik mag in de stoel van pake, bij de vensterbank. Koffie dan, en samen zitten. Het is zo fijn, samen zitten. Iets dat pas een serieuze bezigheid lijkt als je het doet met mensen op hoge leeftijd. Omdat zij de jachtigheid en veelheid zijn verleerd. Omdat het zittende leven voor hen het hele leven is, en ik mag even meedoen.

Zitten dus, en praten, want beppe heeft nog zoveel te vertellen. Over de coronacrisis, en hoe dit misschien Gods manier is om ons tot stilstand te brengen. Over hoeveel ze van pake heeft gehouden en dat nog steeds doet. Hoe ze met elkaar verweven zijn geraakt. Hoe hij avonden laat thuis kwam uit de kerkenraad, en de volgende ochtend om drie uur op moest om in de bakkerij te werken. Dat hij veel verhalen van leed en verdriet heeft moeten aanhoren, als ouderling in de kerk en als bakker in het dorp. Zoveel heeft hij moeten verzwijgen, en kon hij alleen aan haar vertellen, ‘s avonds bij een klein glaasje Berenburg. Ze blijft zeggen hoe mooi ze zijn foto vindt die op het televisiemeubel staat. Dat ze tegen die foto praat als ze naar buiten gaat, of naar bed. Hoe blij ze is met het huis waar ze woont en de zorg die ze krijgt. Hoe belangrijk de liefde is. Hoe de liefde eigenlijk het enige en het alles van het leven is. Maar bovenal hoe dankbaar ze is.

Ze ademt dankbaarheid uit, ik adem het dankbaar in. Als ik nog adem op haar leeftijd, laat het dan ook zo zijn, denk ik, bid ik in mijzelf.

Dan valt mijn oog op een foto in de vensterbank. Ik zie hem voor het eerst, het is een foto van een oud huis. ‘Wat is dat voor huis, beppe?’ vraag ik. Ze vertelt dat het het huis is waar ze is geboren, en waar ze met pake haar verkeringstijd doorbracht. Zoveel liefdevolle dagen daar, een gouden tijd, zegt ze. En ze zegt het nog vaak, in ons gesprek. Pake fietste heen en weer vanuit Twizel naar dit huis in Wâlterswâld. Uren fietste hij, kilometers maakte hij, van en naar zijn lief, want blijven slapen dat deed hij niet. Ik pak de lijst en bekijk de foto. Het is een zwart-wit foto die ooit door iemand is ingekleurd. Een klein huisje met rieten dak en een flinke schuur eraan vast. ‘Staat het huisje er nog beppe, bent u er nog wel eens geweest?’ vraag ik. Ze weet het niet zo goed. Ze is er al heel lang niet meer geweest, zegt ze, en misschien is het wel weg. ‘Maar zo’n mooie tijd daar gehad leave, zo’n gouden, liefdevolle tijd’ zegt ze nog een keer.

Weer die bijna vast te pakken dankbaarheid. Ik ben zo blij dat ik ben gegaan.

Het is tijd voor haar warme maaltijd tussen de middag. Ik trek mijn jas aan en neem afscheid met de woorden dat ik haar graag weer zie in het nieuwe jaar. Ze zegt dat ze zo blij is dat ik ben gekomen. Ik zeg dat ik daar ook blij om ben. Mijn passen klinken hard op de stille gang als ik het verzorgingstehuis verlaat.

In de auto bel ik mijn moeder. ‘Mama, gekke vraag, maar ik zag een foto van het geboortehuis van beppe. Is die er nog, en zo ja; waar kan ik die vinden? Ze weet het niet precies. Iets met Foarwei geloof ik, zegt ze. En het stond aan wat wij toen een ‘reedje‘ noemden. Ik weet genoeg. Ik heb nog tijd voor ik mijn kinderen uit school moet halen, Google is mijn vriend, route is ingesteld op Foarwei Wâlterswâld en rijden maar.

Ik rij via Twizel, en vraag me regelmatig af of pake hier soms fietste. Het is al meer dan zeventig jaar geleden, hoeveel kan er veranderd zijn in de wegen daarnaar toe? De mist trekt iets op, ik rij langs sloten en rijen knotwilgen. Ik rij traag als een toerist, maar laat me opjagen als er een local achter me begint te kleven. Als de navigatie me vertelt dat ik de Foarwei bijna heb bereikt, ga ik nog langzamer rijden en kijk ik mijn ogen uit op zoek naar een herkenningspunt. Misschien heeft het huisje de sloopkogel wel gekregen, denk ik, misschien is het bedolven onder een nieuwbouwwijk, of nog erger, een industrieterrein. Maar al op en neer rijdend op wat de hoofdweg van dit dorpje lijkt te zijn, zie ik al snel dat het geen dorp is voor nieuwbouw of industrie.

Ik pak mijn telefoon en kijk naar de foto die ik van de foto maakte. Zulke raampjes, zo’n vorm heeft het huis. Ik knijp mijn ogen samen om de mogelijk doorslaggevende details goed in me op te nemen. Ik keer een paar keer bij een bushalte als de borden me vertellen dat ik het dorp verlaat. Ik weet dat ik niet lang meer heb om op tijd mijn kinderen op te halen bij hun school in Zwolle. Nou, nog één keer terug dan.

En dan denk ik het te zien. Ik herken het aan de ramen, maar misschien nog meer aan het zijweggetje waar het aan ligt. Er lag een rijtje huizen achter hun huis, vertelde beppe een aantal keer. Ik begreep niet wat ze daarmee bedoelde, en waarom dat zo noemenswaardig was. Maar nu zie ik hoe karakteristiek het is. Haaks op en vast aan het huisje aan de hoofdweg, begint een rijtje huizen in ‘Reinous Reed’. Is dat het ‘reedje’ waar mijn moeder het over had? Ik heb eigenlijk geen tijd meer, dus ik parkeer de Volkswagen Polo nogal onbehouwen op het smalle klinkerweggetje met die opvallende naam. Een beetje ongemakkelijk schiet ik een paar foto’s en stap dan in de auto. Ik moet het gaspedaal diep intrappen om op tijd thuis te zijn. Thuis, daar waar ik in alle rust kan kijken of ik daadwerkelijk dat huis dat zoveel liefde kende, heb gevonden. Ik vind het opeens belangrijk dat dat zo is.

Eenmaal thuis vergelijk ik allereerst de foto’s. De ramen vind ik niet bevredigend, want de bovenste raampjes van het huis loensen meer dan de ramen op de oude foto. Ook moet er in de jaren het één en ander aan verbouwd zijn, rechts ontbreekt een stuk huis en de boom is weg. Maar de zo kenmerkende locatie klopt, en links van het huis ligt een opvallend brede oprit waar de stenen schuur vroeger misschien had gestaan. Ik zoek op internet naar het huisnummer, en ontdek dat het huisje afgelopen zomer te koop stond. Dit geeft me ineens toegang tot veel meer en veel betere foto’s. Zo ontdek ik dat het huisje in 1930 is gebouwd, wat kan kloppen met de levensloop van mijn grootouders. Ik stuur de foto’s naar mijn moeder, en vertel over mijn avontuur. Ze is verrast en ontroerd, misschien meer nog door mijn zoektocht dan door de zekerheid dat dit het huisje betreft. Ze stuurt een foto terug van zichzelf als dreumes, met zonnebril op de camera in kijkend, met heit, mem en tweelingzusje in de achtertuin van het betreffende huis. Ik tuur ernaar, op zoek naar herkenningspunten, ik puzzel, vergelijk, ik pas en ik meet. Voor een moment verlies ik mijzelf volledig in deze zichzelf zo onverwacht aan mij opgedrongen queeste. En uiteindelijk moet ik zeggen dat ik niet zeker weet of ik het antwoord heb. Ik weet ook niet welk verschil dit zou maken. Zou ik beppe ermee naartoe durven nemen, naar een plek die in zo weinig dingen meer lijkt op haar wereld op die foto? Wat is er nog te vinden voor haar, voor mij?

Misschien was het de zoektocht zelf wat er te vinden was. De moeite die ik nam als een ode aan een liefdevolle tijd, een ode aan een liefde waar ik jaren later uit mocht ontstaan. Misschien zoek ik naar een tastbare plek die tot mij spreekt vanuit het verleden, omdat het allemaal zo snel vervliegt. Misschien wil ik weten of er een bepaalde vorm van materialistische gerechtigheid bestaat. Een gerechtigheid die bepaalt dat een huis dat zoveel liefde kende, voor altijd mag blijven staan.

Misschien ga ik nog wel eens terug, als ik meer tijd heb. Misschien ook niet, en breng ik mijn bezoekjes aan het hoge noorden vooral door met het levende, ademende bewijs van de kracht van de liefde: mijn dankbare, lieve beppe.

 

In het gewone gedompeld

Lees meer

“Dat de vleeswording van Christus, de Zoon van God, zo onwaarschijnlijk was, onder zulke belachelijke omstandigheden plaats vond, in die-en-die tijd en op die-en-die plaats, wordt als een ergernis ondervonden – zelfs door gelovigen – ‘een ergernis dat alles zo gewoon was, zo banaal’. Maar ‘dat gewone banale’, is de enige wereld die ik, een gewoon mens, ken. We zijn allen tot onze nek in het ‘gewone’ gedompeld.” Annie Dillard

Elk jaar rond kerst, pak ik deze woorden van één van mijn favoriete auteurs erbij. Lang geleden schreef ik het over uit haar boek Waterspiegelingen (Pilgrim at Tinker Creek) op zo’n vierkant notitieblaadje uit plastic houder, en nu zit het al jaren als bladwijzer in het boek van een andere favoriete auteur. Het blijft voor mij dé kerstgedachte, en hij wordt elk jaar rijker. Het is, denk ik, een levenslange opdracht om in vrede te leven met het feit dat ik tot mijn nek in het gewone, banale ben gedompeld. Tegelijk: als je maar lang genoeg daarin ondergedompeld bent, écht ondergedompeld; omsloten, erin verdwijnend en het niet van je afschuddend, wordt het zomaar als een doop. Dan verzuipt er iets waar je toch beter af bent zonder. Illusies over grootsheid, liefdeloze ambities, het alleen zichzelf verheffende ego.

In zijn boek ‘Savage Gods’ schrijft Paul Kingsnorth over de twee elementen waar ons leven grofweg uit bestaat: eerst vuur, dan water. Ik vertaal:

“De eerste helft van ons leven is vuur, de tweede water. In onze jonge levens bewegen we onszelf weg van de aarde, van elkaar, van onze families en de rollen die ze ons gaven, van beperkingen, regels, plekken. We worden aangetrokken door ambitie, verlangen, opwinding, hebzucht, het altijd zoeken naar wat nieuw is, de behoefte om onszelf te bevrijden. De tweede helft van ons leven is water: het is een terugdruppelen naar de aarde, het vormen van families, een soms pijnlijk leren kennen van jezelf, het wortelen op een plek, thuiskomen. De overgang tussen deze twee fases, van jong naar oud, van jeugdig naar op leeftijd, is een proces van afkoelend vuur, van het bewegen richting watertijd. […] dit betekent dat de ziel, de psyche, het ware zelf, ons naar huis roept. Soms verzetten we onszelf tegen deze roep, onszelf vasthoudend aan het vuur, gelovend dat we zonder dat dood zijn. Maar in feite beginnen we, zonder dat vuur, opnieuw te leven, alleen op een subtiel nieuwe manier.”  Paul Kingsnorth

Het bijzondere kind, dat net als ieder mens in het gewone, banale werd ondergedompeld, heeft deze reis ook gemaakt. Heeft de aantrekkingskracht van het vuur gevoeld, kón het zwaard en het koninkrijk grijpen. Maar het had het gewone, banale lief, zocht juist het gezelschap van de mensen die dat nooit hebben kunnen ontstijgen. Het dompelde zich onder in, en goot zichzelf uit als water.

Kerst is voor mij hét feest van het gewone, banale. Een feest om te blijven vieren, zodat we niet vergeten wie we zijn. Zodat we thuiskomen.

Beeld: The Birth of Our Lord Jesus – James Tissot. Hier lijkt moeder Maria zelf ook te schrikken van de kwetsbaarheid, kleinheid en het gewone van haar buitengewone en met beloftes beladen kind. Ook lijkt het alsof zij degene die pasgeboren en in doeken gewikkeld is, bij de aanblik van zo’n kleine, naakte, banale God.

Jezus mens zoals wij? Godzijdank niet!

Lees meer

What child is this? zingt een traditioneel kerstliedje. Een heel goede vraag – waar in het liedje naar mijn smaak veel te snel een antwoord op wordt gegeven. Graag zou ik wat langer met verbazing naar de baby kijken, me afvragend wat voor kind dit in vredesnaam is. Hij lijkt op mij, maar ook weer niet. Hij is hetzelfde, maar tegelijk totaal anders. Waarom doet dit mensenkind zo’n appèl op me? Waarom verontrust hij mij? Wat wil hij van me?

Lees het hele verhaal hier!