Mijn lofzang en kritiek op Marie Kondo

Lees meer

Deze blog schreef ik in opdracht van Lazarus

(…)

Maar wat gaat er een diepe bewogenheid uit van haar methode en aanpak. Met compassie beziet ze mensen zoals ik die dagelijks strijd voeren met de materie die hen omringt. Met een omgeving die een onstopbare drang richting chaos lijkt te hebben. Paper tigers die me bespringen, stof dat blijft neerdalen, vuil dat blijft plakken, spullen die zich blijven ophopen.

Haar filosofie is eenvoudig en haalbaar. Pak elk item in je huis in handen en stel deze ene vraag: does it spark joy? Word ik hier echt blij van? Is het antwoord nee, bedank het item en doe het weg. Is het antwoord ja, dan kun je het opbergen volgens voorgeschreven methode. Voor beide antwoorden geldt: het is een diep intuïtief antwoord. Je kunt het voelen in al je vezels.

Hier wil ik een kritische noot bij plaatsen: de discipline die Kondo voorschrijft is hyper-individualistisch. Het is namelijk maar de vraag of onze intuïtie zuiver genoeg is om onrechtvaardigheid in een item aan te voelen. Heeft het effect op je joy wanneer een kledingstuk onder erbarmelijke omstandigheden is gemaakt? Kondo vertelt niet het hele verhaal van de spullen. Ze houdt het huiselijk, veilig, klein en oplosbaar. Wat moeten we met de meer gloomy spirituele werkelijkheid van ‘het spullenweb’ waar we op grotere schaal in gevangen zitten? Kunnen we die op individuele basis ons leven uit feng-shui’en?


Lees het hele verhaal hier!

De Nashville Dissonant

Lees meer

Voorheen als ik de naam Nashville hoorde, dacht ik aan muziek. Het is de bakermat van de gospelmuziek die de goedkeuring van mijn ouders kon wegdragen. Nu wordt die nostalgische associatie verweven met mijn gedachten over de onlangs verschenen Nashville Verklaring. Die klinkt voor velen niet als muziek in de oren, integendeel. Het klinkt als een afgrijselijke dissonant waarbij als in een reflex de handen op de oren worden gedrukt. Dit willen we niet horen. Voor een ander, zoals de ondertekenaars, klinkt de verklaring wellicht als de melodie die ze kwijt waren. Oh ja, zó ging ‘ie.

Als je puur op de hashtag afgaat, lijkt het overgrote gedeelte van de mensen zijn of haar afschuw over de verklaring uit te spreken en er afstand van te doen. Een tijdje #nashvilleverklaring scrollen en om met de woorden van de grote filosoof R. Geus te spreken; man, man, man.

Ik vind de reacties op de verklaring heftig. En ik denk het een beetje te snappen, de schok. Want als je het idee hebt in goede harmonie met elkaar een bepaald pad in te zijn geslagen (ik heb menig foto van kerk met regenboogvlag voorbij zien komen), dan valt het tegen als een deel van het koor die harmonie verstoort. Als de aanstichters van de dissonant überhaupt nog worden gezien als deel van het koor. Misschien zijn het wel verraders, dissidenten, veroorzaken ze een helse pijn met hun oordeel. Vertegenwoordigen ze iets wat niet van mij is: #nietmijngeloof #nietmijnjezus.

Dissonant of dissident? Horen we nog bij elkaar en moeten we samen opnieuw zoeken, of wordt hier verraad gepleegd en volgt een bewuste afstand, een afscheid wellicht?

Bij beide opties past verdriet, meer dan minachting. “Er mag ruimte zijn voor rouw. Daarna moeten we weer met elkaar verder.” schreef een ex-voorganger van een evangelische kerk.

Want het valt niet mee, en ideaal zal het nooit worden. Waarom doen we dan zo makkelijk afstand van elkaar? Zit daar niet de veronderstelling onder dat er een sociaal utopia te bereiken is, waar iedereen het met elkaar eens is en niemand elkaar meer bevraagt op zijn of haar opvattingen?

Zolang we willen meezingen in het koor, zijn we denk ik veroordeeld tot dissonantie. En afhankelijk van de manier waarop we dat ondergaan en erop reageren, kán het ook prachtig zijn. Als er een bevochten en hartelijke harmonie kan ontstaan, niet geforceerd of slechts bereikt door afwijkende geluiden te elimineren.

Een paar maanden geleden was ik bij een korenconcert die in het teken stond van componist Morten Lauridsen. De man die beroemd is vanwege zijn ascetic choral sound, his floating dissonance frictions and the peace which his compositions reflect (bron).

Zouden we ons zoeken en wrijven en schuren en de verkeerde toon aanslaan tot een kunstvorm kunnen verheffen? Dat er iets moois voortkomt uit onze worsteling de waarheid te zoeken, naar elkaar te luisteren, andermans ideeën een kans te geven, en boven alles de liefde na te streven?

Ik hoop het. Ik verlang het. Ik bid het samen met de klanken van light eternal: 

 

 

 

 

 

 

Drempeldroom

Lees meer

Goede voornemens, echt serieus heb ik ze nooit genomen. Oppervlakkig heb ik ze gevonden. Een aandoenlijke illusie dat je slechts op goede wil een heel eind kan komen. Je komt pas een heel eind op karakter, en die groeit alleen met elke dag.

Ik ben het aan het verliezen, deze spartaanse, calvinistische houding ten opzichte van het jaarlijkse ritueel. Ik ervaar de magie van de drempel. Er is ons ritme, er zijn ons overgangsmomenten gegeven, ze herbergen kansen. De jaarwisseling geeft elk jaar het kado van liminal space, waarover Richard Rohr schrijft: We have to allow ourselves to be drawn out of “business as usual” and remain patiently on the “threshold” (limen, in Latin) where we are betwixt and between the familiar and the completely unknown. There alone is our old world left behind, while we are not yet sure of the new existence. That’s a good space where genuine newness can begin.

Waarom zou ik neerkijken op de potentie van zo’n ruimte die ons elk jaar weer in de schoot wordt geworpen? Waarom zou ik, terecht of niet, de magie verbreken met opgestoken wijsvinger ‘illusie!‘ en ‘karakter!‘ roepend?

Daarom schrijf ik deze drempeldroom. Hoewel ik een hekel heb aan het woord droom. In retrospect is het vergiftigd tijdens een tussenjaar die ik volgde op een bijbelschool. De belofte van dat jaar was grotesk: leef Gods dromen voor je leven! Meerdere malen werd er over mij uitgesproken dat men een grootse toekomst voor mij weggelegd zag. Ik was van de generatie die in een volle Amsterdam ArenA luidkeels liedjes meezong als ‘I’m gonna be a history maker in this land’Grootste woorden. Maar geen enkele bedding in de alledaagse werkelijkheid, geen oog voor het karakterwerk wat voorafgaat aan zulke grootsheid, dat – laten we wel wezen – slechts voor enkelen is weggelegd. Het heeft me niet geholpen een gezonde relatie aan te gaan met hoe de dingen er in de regel aan toe gaan in de werkelijkheid. Zoals dat het tijd en moeite kost om iets moois te maken. Dat het leven in tune met dat wat je het meest koestert en waardeert je niet komt aanwaaien.

Ik ben ondertussen vele illusies armer en enige werkelijkheidszin rijker. Er is weinig meer over van die grootse droom van God voor mijn leven. Ik heb eigenlijk geen flauw idee of er überhaupt iets te dromen valt voor het leven. En als zo’n droom een goed idee is, waar die droom dan uit zou mogen, kunnen bestaan. Ik weet namelijk niet wat het betekent om mens te zijn. Wat ik van het leven mag verwachten. Van mijzelf, van mijn relaties, van de liefde, God, de wereld.

Ik had een set overtuigingen die samenhang bood, maar ik ben het kwijt. Ik heb vermoedens, maar veel verder kom ik op dit moment niet. Het is een ruige plek om te zijn. Onherbergzaam, in de letterlijke zin van het woord. Geen plek om te blijven, nee, ik heb geen ambitie me te settelen in de verwarring. Er moet een beter thuis zijn dan dat. Dat brengt me bij mijn droom.

Ik droom van een thuis waar vanuit ik kan leven, liefhebben, scheppen en ontmoeten. Waar ik nutteloos, doelloos en besluiteloos kan rondhangen, geïntimideerd door mijn eindeloze getreuzel, tot mijn hand zomaar weer iets vindt om te doen.

Ik wil thuis zijn in mijn huis dat ik niet liefheb, het lijf dat ik niet liefheb. Ik wil thuis zijn in het stof dat ik verfoei, de zweetlucht, haargroei, ochtendadem en al dat banale dat ik het liefst tot de buitenste duisternis zou veroordelen.

Ik wil thuis zijn. Iets meer dan nu, in het jaar dat komt.